Oudduitse Herders

Geschiedenis

De Duitse Herdershond wordt alom gewaardeerd vanwege zijn veelzijdigheid en intelligentie. Voor veel hondenliefhebbers bestaat er geen betere hond dan de Duitse Herder, zoals hij kortweg wordt genoemd. Het is het meest verspreide, meest bekende en in veel landen het meest populaire ras. Dat wil nog niet zeggen dat het een oud ras is. Pas tegen het eind van de 19e eeuw stelde kapitein Max Emile Frederic von Stephanitz (een officier van de Pruisische cavalerie) zich tot doel om uit de verschillende plaatselijke vormen van herdershonden die in zijn land bestonden, een nieuw ras te scheppen dat allerlei voortreffelijke eigenschappen in zich zou verenigen. Door middel van bijzonder strenge selectie op de gewenste uiterlijke en innerlijke eigenschappen werd de moderne Duitse Herdershond geboren.

Uiteraard bestonden er al heel lang herdershonden in Duitsland, maar het uiterlijk van deze honden was verre van gelijkmatig. Er was dus geen sprake van een typische ‘Duitse Herdershond’ waar kapitein Von Stephanitz op uit was. De verschillen beperkten zich niet alleen tot de afmeting, maar betroffen ook de structuur van de vacht. Dat kwam omdat de fokkers van toen – die ook ‘gebruikers’ waren – meer waren geïnteresseerd in de kwaliteiten van hun honden dan in hun uiterlijk. Het ging immers om werkhonden en niet om luxe rashonden. Herdershonden moesten over een aantal geestelijke eigenschappen beschikken die onmisbaar waren voor het hoeden van de schaapskudden, zoals kalmte, volharding en ongekunsteldheid. Ze moesten bestand zijn tegen weer en wind, een onvermoeibare inzet tonen, een grote intelligentie hebben om zelf initiatieven te kunnen ontplooien als dat werd verlangd, en daarnaast moesten ze ook nog hun baas – de schaapherder – gehoorzamen.

Het gevolg was; dat iedere streek zo haar eigen varianten had. Deze veelvormige fokkerij, werd aan het eind van de 19e eeuw echter niet langer als wenselijk ervaren. Dat werd mede ingegeven door de sterke behoefte die in de jonge Duitse eenheidsstaat leefde aan een eigen nationale herdershond. In Groot-Brittannië werden immers hondenrassen gefokt die in heel Europa populair waren. De Schotse Herdershond (Collie) bijvoorbeeld, was zo gewild dat op tentoonstellingen hun aantal meestal dat van de overige, continentale, herdershonden overtrof. Daarom moest er een eigen Duitse Herder komen. Nu was deze hang naar een eigen herdershond niet typisch Duits. Ook in Frankrijk probeerde men in die tijd de Beauceron en Briard als nationale herdershonden op te bouwen, terwijl in België de Belgische Herder werd gepropageerd en in Nederland de Hollandse Herder. De Belgische Herdershond genoot zelfs al enig aanzien in het buitenland. Zoals gebruikelijk in Duitsland, verliep de creatie van de Duitse Herder beter georganiseerd dan die van de herdershonden in andere landen, maar toch waren ook hier de beginjaren moeilijk.

Pas in 1882 werden de eerste inheemse herdershonden in Hannover uitgebracht: Kiratz, een grauw-met-witte hond, en Greif, een geheel witte hond. Toen was het een paar jaar stil, waarna er weer een of twee honden kwamen. In 1889 veranderde dat. De heer Reichelmann uit Kassel bracht in dat jaar zijn hond Stummel uit, en vanaf dat moment werden pogingen in het werk gesteld tot een eerste systematische aanpak te komen. Twee jaar later werd de eerste vereniging opgericht onder de naam Phylax’. Er werd een standaard opgesteld en een stamboek geopend. Maar zoals gezegd waren er Duitse herdershonden in uiteenlopende varianten: niet alleen het type liep erg uiteen, ook waren er ruwharen, langharen en kortharen. Iedereen was het er weliswaar over eens dat de Duitse Herder het meest van alle honden op de wolf leek, naar door meer op uiterlijk te letten dan op gedragseigenschappen bereikte deze vereniging haar doel niet. De honden trokken gewoon geen echte belangstelling, omdat de nadruk te veel op een tentoonstellingshond lag. De vereniging werd dan ook al in 1894 opgeheven. De liefhebbers van een herdershond met goede werkeigenschappen bleven dus vooralsnog ongeorganiseerd.

Deze teleurstellende ervaringen stimuleerden Von Stephanitz wellicht extra om het ideaal dat hij nastreefde niet alleen in het uiterlijk te zoeken. Hij wilde een hond met het uiterlijk van een wolfachtige herdershond, maar met het karakter van een echte werkhond. De ideeën die Von Stephanitz erop nahield, kregen een praktisch vervolg. Op 3 april 1899 bezocht hij samen met zijn vriend Arthur Meyer een hondententoonstelling. Zijn aandacht werd getrokken door een geelgrijze hond van gemiddelde grootte. Deze hond, Hektor von Linksrhein, was niet zomaar een tentoonstellingshond maar bewaakte in het dagelijks leven een kudde schapen. Hij beantwoordde aan het ideaal dat Von Stephanitz voor ogen had: een mooie, ongekunstelde, wolfachtige hond met uitstekende werkeigenschappen. Von Stephanitz aarzelde niet, maar kocht de hond en lijfde hem in zijn kennel in door hem een nieuwe naam te geven: Horand von Grafrath. Deze reu werd de stamvader van een van de beroemdste bloedlijnen in de kynologie.

Nog in diezelfde maand richtte Von Stephanitz de Verein fur Deutsche Schaferhunde op. Zelf nam hij binnen de vereniging de taak van voorzitter op zich, een functie die hij weer dan 30 jaar zou vervullen. In 1900 werd het stamboek voor Duitse Herdershonden geopend, waarin Horand von Grafrath als eerste werd ingeschreven.

Het zal duidelijk zijn dat Von Stephanitz een van de grondleggers van de Duitse Herdershond was, samen met zijn vriend Arthur Meyer. Zijn boek Der Deutsche Schaferhund in Wort and Bild (De Duitse Herdershond in woord en beeld), een boek van ruim 800 pagina’s, is de grootste monografie die ooit over een ras is geschreven. Verder was Von Stephanitz in ieder geval de grootste propagandist van de Duitse Herder. Maar het is vooral zijn afgewogen oordeel geweest dat deze hond tot de populairste hond alter tijden heeft gemaakt. Zijn uitgangspunt was dat honden nooit op willekeurige gronden voor de fokkerij mochten worden uitgesloten, iets dat bij de creatie van veel andere herdershondenrassen vaak wel gebeurde. Alle in Duitsland werkende herdershonden werden dus als Duitse Herder opgevat. Kleur en structuur van de vacht en dergelijke kwamen altijd op de tweede plaats. Essentieel voor Von Stephanitz was voor hem het behoud van de kwaliteiten als werkhond. Daarom stond men in het begin voor de bijna onvoorzienbare taak om van alle Duitse Herders het goede te behouden.

Hoe uiteenlopend die herdershonden konden zijn, blijkt wel uit een aantal verslagen die Jan van Rheenen in zijn boek De Duitse Herder opsomt: de witte langharige honden uit Nedersaksen, honden met staande oren, langharig, slechts zelden wolfskleurig; de vaak ruwharige honden uit Thuringen en de omgeving van Frankfurt, die behalve staande oren dikwijls ook nog de begeerde wolfskleur hadden, maar ook een hardnekkig verervende krulstaart; de honden uit Wurttemberg, meestal grote dieren met zware botten, een behoorlijke staartdracht, een goede achterhand en een vlot gangwerk, rustig van aard, maar al te vaak met hangende oren’. Door al deze honden onderling te kruisen en de selectie naar het ideaalbeeld slechts langzamerhand in te voeren, en door steeds op de werkeigenschappen te letten, is de moderne Duitse Herder ontstaan. Von Stephanitz wist de fokkers van zijn ideeën te overtuigen. Hij deed dit onder meer met strategische middelen, zoals het organiseren van een jaarlijkse tentoonstelling waarvan hij zelf de reglementen en klasseringen vaststelde. Op die manier wist hij bijvoorbeeld de keurmeesters op één lijn te krijgen en de fokkers op een systematische manier bij de fokkerij te begeleiden. Ondanks alle oorspronkelijke verschillen ontstond er zo beetje bij beetje, bijna onmerkbaar, een bepaalde uniformiteit.

Na de Eerste Wereldoorlog was het, om begrijpelijke redenen natuurlijk. niet best gesteld met de Duitse Herder. Bovendien oriënteerde men zich op een meer vierkante hond van een wat groter formaat. Von Stephanitz vond dan ook dat de werkhond van weleer werd opgeofferd aan een zekere mode. Hij ging hier resoluut tegenin door op de tentoonstelling van Frankfurt in 1925 een mooie, maar tamelijk kleine hond van een duidelijk meer rechthoekig type tot beste hond uit te roepen. Deze hond, Klodo von Boxberg, werd onmiddellijk door de fokkers als model voor de ideale hond opgevat en veel in de fokkerij gebruikt. Klodo von Boxberg markeerde in feite de grens tussen de authentieke en de moderne Duitse Herdershond. Dat het verval van het oorspronkelijke werk tot problemen kon leiden, werd eveneens vroegtijdig door Von Stephanitz herkend. Schaapskudden werden in het begin van de 20e eeuw immers snel zeldzamer, wat voor de hond die sterk op zijn werkeigenschappen werd geselecteerd wel degelijk een bedreiging vormde. Het gevaar een luxe, van modegrillen afhankelijke hond te worden, was levensgroot aanwezig. Von Stephanitz was er echter de mens niet naar om een soort achterhoedegevecht te gaan leveren tegen een niet te stoppen ontwikkeling. Ervan overtuigd dat de meeste Duitse Herders inmiddels in stedelijke gebieden leefden, ontwikkelde hij voor de zo breed getalenteerde Duitse Herder nieuwe uitdagingen.

Al in 1901 organiseerde hij wedstrijden voor het optreden van Duitse Herders als politiehond. Twee jaar later werd een reglement voor het werken als politiehond opgesteld. Vervolgens werd de Duitse Herder als Rode-Kruishond voorgesteld. In de loop der jaren heeft deze veelzijdige gebruikshond echter nog tal van andere werkzaamheden verricht. Hij is in het leger gebruikt, als schildwacht of bij het verzenden van berichten, werkte bij de posterijen, hielp douaneambtenaren en jachtopzieners bij hun werk, verrichtte algemene bewakingsdiensten, werkte als geleidehond voor blinden of als hulp voor gehandicapten. In Nederland en België kwam de Duitse Herder pas na de Eerste Wereldoorlog in de gunst van de hondenliefhebbers. Hij was voor de oorlog wel op tentoonstellingen vertegenwoordigd, maar bijna nooit in noemenswaardige aantallen. De aanwezigheid van zeven exemplaren op de Cynophiliatentoonstelling in 1910 betekende een voorzichtige doorbraak. L. Seegers schrijft daar het volgende over in zijn bekende boek Hondenrassen (1912): “En zo wrong de Duitse Herdershond zich tussen zijn Hollandse en Belgische collega’s, trachtend beide te verdringen, maar slaagde daar niet in. Of de plaats die hij later zal innemen groter zal zijn dan die welke de Belgische herdershond zich heeft veroverd, zal de toekomst moeten leren. Op dit moment is dat niet met zekerheid te zeggen”. De geschiedenis heeft inmiddels geleerd dat de Duitse Herdershond zijn westelijke verwanten in populariteit sterk heeft overtroffen. 

Tot zover is de bron: “Mijn hond, mijn vriend”

Fok uitsluiting voor langharige honden

In 1930 besloot de Duitse vereniging van Herdershonden, de SV (Verein Für Deutsche Schäferhunde), dat de Langstokhaar honden een “fokfout” waren en dat deze honden werden uitgesloten van de fok. In 1991 werd dit door de SV omgezet in een “fok uitsluitende fout” en mocht er met deze honden niet langer gefokt worden. Toch werd er door liefhebbers met deze Langstokharige honden gefokt echter zonder de officiële stamboompapieren, immers voor deze honden met een “fok uitsluitende fout” kon men zich niet laten inschrijven bij de SV. Daar de Langstokharigen niet werden geaccepteerd binnen de officiële rasvereniging de SV (en later ook niet in de Nederlandse Vereniging van liefhebbers van de Duitse Herder, de VDH) is met de oprichting van het “Langhaar-Schäferhunde-Verband Deutschland” in 1984 het ras de Altdeutsche Schäferhund ontstaan.

In de loop der jaren zijn de ras standaarden van de Duitse Herder en de Oudduitse Herder op een aantal kenmerken gaan verschillen. Zo dienst een Oudduitse Herder langharig te zijn en met een rechte rug hetgeen een zichtbaar verschil oplevert in het gangwerk en de hoekingen.

Het was tot 1 januari 2011 dat er een fokuitsluiting was binnen de FCI voor Duitse Herders Langstokhaar. Daarna was het mogelijk een Duitse Herder Langstokhaar te verkrijgen met een door de Raad van Beheer verstrekte stamboom. Je zou kunnen denken dat er op dat moment twee genetisch gelijke rassen waren ontstaan namelijk de Oudduitse Herder en de Duitse Herder Langstokhaar echter de standaard voor beide genetisch gelijke dieren is verschillend.

In principe zou men kunnen stellen dat de Oudduitse Herder al ras langer bestaat en een plaats zou moeten hebben binnen de FCI en dus binnen de Raad van Beheer echter dit is bij diverse pogingen door de rasverenigingen van de Oudduitse Herder tegengehouden.

Vertegenwoordiging van het ras

In Nederland werd de Oudduitse Herder vertegenwoordigd door de rasvereniging NODHV (1998) en mede na een afsplitsing door de DHCN (2010). In 2013 ontstond na een afsplitsing van de DHCN de LSOHV. Na een periode van tegenstellingen is door de besturen van de DHCN en de LSOHV in overleg met de leden besloten om te fuseren en daarbij de naam LSOHV te handhaven. De NODHV werd benaderd maar zagen geen heil in één grote vertegenwoordigende rasvereniging. De LSOHV ( LangStokhaar en Oudduitse Herder Vereniging) is inmiddels één van de grootste rasverenigingen in Nederland.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.